
Inclusie

Ik vind het soms een beetje ongemakkelijk als het woord inclusie voorbijkomt binnen onderwijs of arbeid. Het vertelt dat mensen systemen ontwikkelen, bijvoorbeeld een onderwijssysteem. Dat is bedoeld voor mensen. Vervolgens past niet iedereen hierin en is aparte actie nodig. Dat is dan inclusie.
Ik vraag me dan af: waarom al die moeite? Is het niet veel logischer om meteen een systeem te ontwikkelen waardoor de buitenbeentjes en bijzondere mensen niet bij voorbaat buiten de boot vallen?
Hierbij komen er twee vervolgvragen bij me op:
Zijn buitenbeentjes lastig of ongewenst, en is het systeem beter af zonder hen?
Bestaan er systemen waarbinnen inclusie niet nodig is?
'Buitenbeentjes'
Nu hoeft het op zich niet erg te zijn om buitenbeentje te zijn of bijzonder. Sterker nog: een samenleving of systeem heeft zulke mensen nodig.
Een samenleving of systeem is van zichzelf star, niet geneigd om te veranderen of zich aan te passen. Het bevindt zich echter in een wereld die continu in verandering, ontwikkeling en beweging is.
Het heeft daarom buitenbeentjes, vernieuwers en creatieve mensen nodig die vooruitlopen, vernieuwen, inspireren tot verandering. Mensen die laten zien waar het systeem schuurt, wringt, beter of anders kan. Zonder hen zou er stilstand zijn. In een bewegende en zich ontwikkelende wereld betekent dat achterstand en achteruitgang.
Nu zijn dit niet de buitenbeentjes waar we aan denken bij inclusie. Bij inclusie hebben we het over de buitenbeentjes die de boot missen, terwijl ze wel graag mee willen varen.
Er is wel een gemeenschappelijke noemer met de eerdergenoemde buitenbeentjes: ze laten zien waar het wringt, schuurt, anders of beter kan.
Vanuit deze optiek zijn buitenbeentjes dus niet lastig. Ze zijn nodig en vertellen ons waar het beter of anders kan.
Systemen zonder inclusie
Stel je voor: je gaat naar een restaurant en bestelt je eten. Je bestelt een biefstuk die je medium rare gebakken wilt hebben, de saus graag apart, en vanwege voedselintolerantie leg je uit dat je graag rijst in plaats van pasta hebt.
Ieder goed restaurant regelt dat en zal je graag en met plezier van dienst zijn. Dergelijke dienstverlening vormt de basis waarom klanten het restaurant bezoeken en terugkeren.
Stel je nu echter de volgende reactie voor:
De ober reageert op je specifieke behoefte met: “Mijnheertje (of mevrouwtje) toch, hier kunnen we toch niet aan beginnen! Stel je voor dat we iedereen maar plezieren en het eten geven dat ze willen! Bovendien: het is toch uw voedselintolerantie! Waarom maakt u dat ons probleem? En medium rare? Wat zijn dat voor fratsen? Ons systeem is daar niet op toegerust. Wij serveren alleen zwart doorbakken vlees. Had u nog iets in gedachten om erbij te drinken?”
Dit is natuurlijk een nogal overtrokken reactie, maar ze illustreert wel de vanzelfsprekendheid dat een restaurant aansluit bij de vraag en behoefte van zijn klant.
Sterker nog: een goed restaurant zal niet bij voorbaat uitsluiten. Ook met de uitzonderingen, zoals mensen met een voedselallergie, wordt rekening gehouden en hoeft er geen bijzonder of inclusief beleid ontwikkeld te worden. Op de menukaart zie je vaak al meerdere mogelijkheden: met vlees, zonder en veganistisch. Er wordt zelfs vaak op geanticipeerd door bij de reservering al te vragen naar allergieën. Het is geïntegreerd en vanzelfsprekend binnen het systeem van het restaurant.
Dat is handig: dan hoef je als restauranthouder ook geen energie te steken in het ontwikkelen van beleid over inclusie en kan je energie en aandacht voor de volle 100% uitgaan naar aandacht, serviceverlening en aansluiten bij de behoefte van de klant.
Niet het systeem is heilig, maar de klant, en dat is leidend in het denken en daarmee in het doen.
Het doet me denken aan een variant van één van de uitgangspunten van de NLP: als het wel kan in het ene systeem, waarom zou het dan niet evengoed kunnen binnen een ander systeem? Als we het willen, kan het.
Meest recente blogs
Zie andere relevante blogartikelen
